VU-Kamerorkest home

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Symfonie nr 40 in g, KV 550


1. Allegro molto
2. Andante
3. Menuetto
4. Allegro assai
Arme Schumann. Met betrekking tot Mozarts 40e symfonie heeft hij het publiekelijk over “diese Griechische Grazie” gehad. Hij vond de muziek kennelijk niet alleen mooi, maar ook licht, sierlijk, en wie weet zelfs iets vrolijks hebben. Mooi vinden ook andere schrijvende Mozartluisteraars de 40e, maar zij lijken zich in de concertzaal aan somberder associaties over te hebben gegeven. Goethe zou in Mozarts mineur werken afschrikwekkende, ja zelfs demonische expressie hebben gehoord. Ook veel commentatoren van na de Romantiek benadrukken het zware of “droefgeestige” karakter van Mozarts in g kleine terts geschreven werken in het algemeen, en van de 40e symfonie in het bijzonder. Dit liefst ten koste van Schumann met zijn lyrische enthousiasme, die voor de “schrijnende weemoed ongevoelig was”.

Wat opvalt is dat ondanks de grote meningsverschillen over de sfeer van dit werk, iedereen het in ieder geval prachtig vindt, en terecht. Het stuk is een briljante combinatie van enerzijds mineur toonzetting met hartverscheurende harmonische wendingen en “zuchtende” en/of “klagende” noten, en anderzijds een enorme hoeveelheid vaart en deuntjes die de mensen pakken. Het lijkt dan ook naadloos bij alle stemmingen aan te kunnen sluiten, en het lijkt er waarempel op dat we hier een van de prachtigste voorbeelden hebben van een “lach in de traan” (of was het omgekeerd?) die veel grote Kunst kenmerkt.

Het liedje van het eerste deel is natuurlijk overbekend (tegenwoordig verkrijgbaar op mobiele telefoons), en meteen een mooi voorbeeld van het dubbele karakter van de muziek: het ritme pakt en het wijsje pakt, maar is ondertussen wel in mineur (zou dit “schrijnende weemoed” zijn?). Dat Mozart niet alleen van klarinetten hield blijkt al snel, bijvoorbeeld uit de prachtig modulerende fagotten na 21 maten, voordat het thema voor de eerste keer herhaald wordt, waarna de hobo’s een prachtige liggende noot over de strijkersbeweging leggen. En zo maar voort! Voor een mooie analyse van de structuur kunt u terecht bij de “6 Harvard Lectures” van Leonard Bernstein. Het langzame tweede deel klinkt mij op het eerste gehoor steeds weer droevig in de oren, maar na verloop van tijd lijkt dat toch ook weer mee te vallen, misschien vanwege de wat dansante 6/8 maat. Bij het derde deel ligt dat min of meer omgekeerd: de dominante en springerige driekwartsmaat van het menuet valt op, voordat de mineurharmonie de beleving donkerder kleurt. Het vierde deel is thematisch eenvoudig, maar zeer hoog energetisch. Charles Rosen merkt in “The Classical Style” op dat het haast een wonder is dat Mozart zijn kruit niet direct verschiet binnen de strakke structuur van de klassieke symfonie, maar dat de aandacht van de luisteraar toch het hele deel lang gevangen blijft. Het Genie van Mozart (een veelvuldig terugkerend thema bij biografen) heeft er voor gezorgd dat we, vanwege de voortdurende vaart en de harmonische wendingen, blijven luisteren.

De 40e symfonie werd geschreven in 1788. De klarinet was destijds een noviteit in symfonieorkesten, en het valt de componist dan ook niet kwalijk te nemen dat de oorsponkelijke versie georkestreerd was voor een bezetting van 1 fluit, 2 hobo’s, 2 fagotten, 4 hoorns en strijkers. Echter, in de vermaarde klarinettist Anton Stadler vond Mozart een muze, en hieraan hebben we de prachtige latere Mozart-werken met klarinet te danken: het Kegelstatt-trio (met piano en altviool, mogelijk op een kegelbaan gecomponeerd), het klarinetkwintet (met strijkkwartet) en natuurlijk het concert voor klarinet en orkest. Voor Stadler en diens broer Johann werd de 40e symfonie voorzien van 1e en 2e klarinetpartij, waarbij twee hoornpartijen sneuvelden en wat verder met name ten koste ging van de hobo-noten. Hoewel voor de meeste luisteraars de warme klank van de klarinet een welkome aanvulling in het orkest is, verschillen ook hier de meningen over. Het XYZ der Muziek meldt dat “... Mozart helaas de partij van de hobo verdeeld [heeft]...”, een ander citaat rept over het verloren gaan van “the indescribably chaste delight” van de symfonie, en ook binnen de hobo-sectie van het VU Kamerorkest heerst enige onvrede over Mozarts beslissing. Het Kamerorkest heeft echter gemeend de door de componist aangebrachte veranderingen te moeten respecteren.

Onno Meijer

geraadpleegde literatuur:
Wolfgang Hildesheimer: “Mozart”
Caspar Höweler: “Het XYZ de Muziek”
Charles Rosen: “The Classical Style”

VU-Kamerorkest home


View My Stats